De kermis voorbij

Gepubliceerd door admin op

‘Het kan niet altied karemus wezen,’ zei mijn moeder altijd als ik iets graag wilde, wat niet kon of niet ging. Ze doelde op het feest der feesten in Oud-Vossemeer, de vrijdag na de tweede donderdag in juni: de kermis. Twee dagen lang feest in het dorp. Op ‘t dorp. Achter ’t durrep

Voor het eerst sinds jaren ga ik er weer heen. Eventjes. Mijn zoontje achterin de auto. Een rondje in de draaimolen heb ik hem beloofd. Bij het binnenrijden vanaf de dijk een bord: Karemus’, ernaast twee bier. Dat stond er vroeger nooit, toch?  

Of zag ik dat toen niet – omdat ik het dorp niet uit kwam, nog te jong was. 

De opgewonden verwachting als op donderdagavond de fanfare bij ons door de buurt kwam; wij in een sliert erachteraan, tot aan het dorpsplein. Hoever waren ze? Stonden de botsauto’s er al? 

Als peuter en kleuter in de draaimolen. Daarna de grijpautomaten, want te klein voor de botsauto’s. Een gulden erin. Hopen dat je een horloge of een knuffel greep. Na dertig keer, eindelijk: raak! 

Vanaf einde basisschool in de botsauto’s. Die ene keer dat ik met mijn neus tegen het stuur klapte: bloedneus. Rennen naar café Hof van Holland, propjes wc-papier erin en weer terug. Of wacht… eerst even geld vragen aan mijn ouders, op de dansvloer of aan de toog. 

Dan de middelbare school. Met je zatte kop in de draaimolen, dat mocht toen. Onder invloed in de botsauto’s, de enige plek waar dat mocht: rijden met een biertje in je hand. Daarna met een luchtbuks schieten – zou dat nu nog mogen?

Zoenen achter de kerk. Friet eten bij Jadi. Bier drinken op het stoepje voor Daan Banaan

Zo was het vroeger. Nu is veel nog hetzelfde als toen: de lucht van verschraald bier en friet met mayonaise. Jongens met twee pilsjes per hand. Dorpsalcoholist ‘Botje’ zwalkend op straat. 

Maar… geen draaimolen, geen grijpautomaten, geen snoepkraam. Waar is de kermis gebleven waar ik als kind zo reikhalzend naar uitkeek? 

In de weerspiegeling van de ruiten aan de Ring zie ik ons lopen. Mijn zoontje op zijn driewieler. Mijn vader naast mij. Allebei te dik rond de buik en een diepe groef tussen onze wenkbrauwen. 

In die ruit zie ik het heel scherp: mijn eigen kindertijd is definitief voorbij. Die van mijn zoontje juist net begonnen. 

Als we voorbij het met planken dichtgetimmerde Hof van Holland lopen, breekt hij. ‘Ik wil niet naar huis!’ Hij trekt aan zijn stuur, een rood aangelopen hoofd. Ik had toch de draaimolen beloofd? 

‘Het kan niet altijd feest zijn,’ zeg ik tegen hem, hoewel ik hem eigenlijk wel begrijp. Ik sla mijn armen om hem heen, droog zijn tranen en beloof hem Brandweerman Sam op Netflix, bij opa thuis. Handig, tv on demand, dat hadden we vroeger niet. 

Als we ’s avonds het dorp uitrijden, richting de dijk, is mijn zoontje de draaimolen alweer vergeten. Zingend zit hij achterin, af en toe onderbroken voor een ‘Ta-tu-ta-tu!’

In mijn achteruitkijkspiegel zie ik het bord ‘Karemus’, bijna overwoekerd door het hoge gras. Het feest is voorbij. Of… ben ik de kermis voorbij?

Categorieën: plaatsUncategorized

0 reacties

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *